Een maandje Nederland…we zouden verhalen kunnen schrijven over

… ons gepuzzel om alles wat we moeten en willen doen in een werkbaar schema te proppen, over het zeulen met onze koffers en tassen van het ene logeeradres naar het andere, over de rugzak vol bonnen en kwitanties die we netjes in Excel moeten zetten, over de winterdekbedden waar we onder liggen, over de nuttige en leuke vergaderingen met de SDSP, werkgroepen van de SDSP, vrijwilligers van de SDSP, over het zoeken en boeken van tickets via Australie naar Papua, over het regelen van weer een nieuw visum, over het helpen schrijven aan nieuwe projectvoorstellen, over het sturen van emails naar andere NGO’s en mijnbedrijven, over het geven van presentaties, over het aanleveren van artikelen, over het laten repareren van de satelliettelefoon, over het uitwerken van surveys en onderzoeken, over het halen van nieuwe buiktyfus- en rabiesprikken, over het naar de tandarts en de dokter gaan, over het in kaart brengen van te benaderen instanties in Australie, over het inlezen in de materie over mijnbouw in West Papua, over het uitstel van aangifte aanvragen bij de Belastingdienst, over het aangifte doen bij de Belastingdienst, over het laten drukken van visitekaartjes, naslagwerken en educatiemateriaal, over het bijwerken van de website, …

OF

… over het lekkere lenteweer, het knuffelen met onze neefjes, het bijpraten met ouders, broers + aanhang en vrienden, het dagje bijtanken in de sauna, het 5-kilo-in-4-weken-erbij-dieet, het overal mogen neerkwakken van genoemde koffers en tassen, het snelle internet, het nieuwe boeken in de koffer stoppen, het drinken uit de kraan, het paaseitjes zoeken, …

OF

… over nog meer ontberingen, grappige culturele misverstanden, de hoge noden van de plaatselijke bevolking, de corruptie en al wat nog meer komt kijken bij een ‘social community development’ project in de jungle van West Papua, uitgevoerd door twee bleekneuzen, …

OF

… over dat ons volgende bericht jullie waarschijnlijk bereikt vanuit Sydney of Perth, aangezien we volgende week via Australië naar Papua terug zullen reizen om down under ons netwerk uit te breiden met andere NGO’s en te proberen meer te weten te komen over de plannen van de grote mijnbouwbedrijven in de Vogelkop, …

Maar dit keer willen we schrijven over Pit. Over iemand die zoveel in zijn mars heeft, dat hij een hele kluit mensen op sleeptouw neemt naar een betere wereld.

“Pit is een 45 jarige Karon Papua die op zijn 8ste uit het bos is “geplukt”. Een ambitieuze pater die een schooltje in het oerwoud wilde beginnen, zag wel wat in hem. Pit was naar eigen zeggen erg ondeugend en het was goed dat hij regelmatig met de rotanstok kreeg, anders was er aldus Pit geen land met hem te bezeilen geweest. Discipline is hem zo bijgebracht en daar heeft hij nog profijt van. Na een tijd het abc te hebben opgezegd, vertrok Pit naar het internaat in de stad Sorong, ver weg van bos en haard. Hoewel hij erg moest wennen aan de stad, beviel hem dit zeer. Ook daar was weer discipline, maar ook lol en ruimte om zich te ontplooien. Pit heeft er goede herinneringen aan.

Na de middelbare school is Pit een verplegersopleiding gaan volgen. Tenminste: zo’n opleiding waarbij je uiteindelijk een papiertje kreeg waarop stond dat je mocht verplegen. Pit gaf aan dat hij zelfs rudimentaire kennis moest ontberen en zelf uit boekjes moest bijlezen om in ieder geval enige medische handelingen te kunnen verrichten en advies aan patienten te kunnen geven.

Hij trouwde een lieve vrouw uit Suswah en werd als verpleger in de Kebarvallei gebaseerd. De Kebarvallei bestond toen uit een paar houten huisjes en een vliegveldje. Enige medische ondersteuning van de gezondheidsdienst in Manokwari voor dit hulppostje was er niet. Zijn collega’s waren vaak in de stad omdat daar wel elektriciteit en water was. Faciliteiten waren er in de Kebar niet. Pit bleef zitten, al begon hij wel erg last te krijgen van het totale gebrek aan medische ondersteuning en medicijnen voor zijn hulppost. Doodzieke mensen moest hij onverrichter zake naar huis sturen of hij moest wat aanrommelen om patienten het idee te geven dat er in ieder geval kans was op genezing. De Kebar was toen de helft van de tijd afgesloten omdat de weg – die deze naam nog niet mocht dragen – weggespoeld was door rivieren, regen of aardverschuivingen. Zieke mensen gingen vaak dus gewoon dood. Pit voelde in zijn eentje de verantwoordelijkheid voor de gezondheid van alle Papua’s in de Kebarvallei. Een gebied zo groot als de provincie Gelderland.

Nog erger voor Pit was het dat de medicijnen slechts één keer per jaar in zeer kleine aantallen tot hem kwamen. Op een gegeven moment had hij alleen nog een paar vitaminepillen en wat antibiotica over om uit te delen. Hoewel bewezen is dat het placebo effect hiervan ook zeer groot kan zijn, kunt u zich voorstellen dat de stress en het gevoel van onvermogen zijn tol begon te eisen. Pit begon, zo zegt hij zelf, een nieuwe hobby: het verzamelen en verorberen van grote hoeveelheden alcohol uit de zgn. mpau-palm. Pit zegt hierover dat hij zich een aantal jaar van zijn leven niet meer kan herinneren, tot de keer dat zijn vrouw tegen hem zei: “Nog één keer en ik ga bij je weg”. Pit heeft sindsdien geen druppel meer aangeraakt.

Jaren heeft hij in de Kebarvallei gewerkt naar vermogen: zonder medicijnen, zonder administratie en zonder advies van artsen of verpleegkundigen uit de stad. Jaren heeft hij moedeloos moeten toezien hoe mensen onnodig doodgingen aan de meest knullige aandoeningen, moeders onnodig stierven vanwege het ontbreken van enige vroeghulp en kinderen overleden vanwege aanhoudende diarree en malaria welke met medicijnen van 3 eurocent had kunnen worden genezen.

Wij troffen Pit in juni 2008 in Senopi aan in een smerige, houten buitenpost met anderhalve pot vitaminepillen en 2 potten antibiotica voorbij de houdbaarheidsdatum. Op de veranda zaten of stonden wat mensen met holle ogen, sommigen met een kuchend kindje in de armen. Een ouder iemand met een enorme stinkende zweer op zijn arm lag in de hoek, ondersteund door zijn oververmoeide dochter. Pit begroette ze geduldig en al kon hij weinig voor ze betekenen: hij deed alles wat in zijn vermogen lag. Hij gaf aan een ieder een vitaminepil, maakte de wond van de oudere man schoon en gaf een familielid opdracht om wat eten klaar te maken voor de magere kindertjes. Iedereen toch een beetje blij.

Los van elke ochtend een spreekuur met die halve pot vitamine pilletjes, bleek Pit ook elke dag een wandeling door het woud te maken naar het volgende dorp om zieken te bezoeken die te ziek zijn om te lopen. Bovendien kon hij ’s nachts uit zijn bed worden gehaald bij noodgevallen.

Zijn salaris krijgt Pit niet altijd. Hij moet voor het salaris naar de stad. De auto om naar de stad te komen kost al een aanzienlijk deel van zijn maandsalaris dus wil hij nog wat over houden van zijn salaris, dan is het handig om pas na meerdere maanden naar de stad te gaan. Met een beetje pech waren de ambtenaren die zijn salaris moesten uitbetalen pas na een paar weken weer een keer op kantoor. Pit moest zo soms wel eens maanden op zijn salaris wachten. En wachten in de stad kost geld, want je moet in de stad – in tegenstelling tot het leven in het bos – voor eten betalen. Het is volgens Pit weleens voorgekomen dat hij meer geld in de stad heeft moeten betalen dan dat hij heeft ontvangen.

Wij ondersteunen Pit. In het begin door voldoende medicijnen aan te laten voeren en deze aanvoer te faciliteren. Inmiddels zijn de logistieke kanalen en de betrekkingen met het gezondheidsdepartement verbeterd en houden we een oogje in het zeil of alles goed blijft verlopen. We hebben hem een cursus laten volgen waardoor hij zelf malaria-onderzoek kan doen. We ondersteunen hem en zijn team bij het immuniseren van kinderen. We geven hem maandelijks een extra bijdrage voor zijn keiharde werk.

Pit is naast superverpleger ook voortrekker geworden in zijn dorpje Aikapes, vlakbij ons dorp Senopi. Zo heeft hij projectplannen geschreven en zijn dorp gemobiliseerd om waterputten en hekken te maken. Dan heeft hij ook nog met twintig anderen een coöperatie opgericht – een winkel waar allerlei spulletjes worden ingekocht en verkocht – zo de economie van het dorp een handje helpend. Hij maakte deel uit van het team waarmee we in februari naar Suswah zijn gereisd om daar te vertellen over het Moeder-en-Kindzorgprogramma en te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het programma naar dit district uit te breiden. Ook heeft Pit een belangrijke rol in de kerk. Hij organiseert evenementen en houdt jongelui in de gaten die een beetje beginnen te ontsporen.

De drie kinderen van Pit zitten allemaal op een goede school. Zijn geld is niet opgegaan aan drank of TV. Hij woont nog steeds in dezelfde rotzooi als vroeger, alleen heeft hij nu een zelfgemaakte wc en gaat het geld dat hij krijgt naar de scholen van zijn kinderen. Eén is er electriciën geworden, de ander studeert voor verpleegkundige en de derde zit op het Indonesische VWO.

Mensen zoals Pit zorgen voor een positieve invloed op de gemeenschap. Zijn onmisbaar voor de gemeenschap en voor ons. Sterker nog, het zichzelf zo inzetten voor zijn gemeenschap, in zulke moeilijke omstandigheden, zonder dat hij er zelf beter van wordt en dan ook nog vrolijk zijn? Er zijn er die voor minder een lintje hebben gekregen…”
Tot de volgende keer, geniet van de zomer!

Jurgen & Ellis

Recente berichten

Nieuwsbrief – voorjaar 2020

Nieuwsbrief – voorjaar 2020

2020 is voor de SDSP het jaar dat we 25 jaar bestaan. Een kroonjaar, en een jaar om stil te staan bij geweldige jaren waarin we vele projecten hebben gedaan, en een jaar waarin we ook proberen te oogsten wat we de afgelopen jaren hebben gezaaid.

Lees meer
Project cacao

Project cacao

Al drie jaar werkt de SDSP aan het cacao-project. Een groep Sefa-studenten heeft een eerste onderzoek gedaan naar de mogelijkheden in de Vogelkop, en een klein projectteam van de SDSP (Henk Krijnen, Jan Schouwenburg en Rita Vandermaele) werkt nu de plannen verder uit.

Lees meer